(uit HetWerk40, literair kladschrift van Meurs A.M., 11 november 2004)
Louis Paul Boon
Naar aanleiding van het artikel in het vorige nummer, Over
de graven heen, ontving ik een lieve brief van mevrouw Josephine
Boon-Vermoesen, de weduwe van Frans, de broer van Louis. Ook zij was geschokt
door het feit dat het graf van haar schoonouders en schoonzus was geruimd. Wel
had zij ondertussen bij de grafmaker de portretten die op het graf stonden weten
te verkrijgen en zij verzekerde mij dat deze een mooie plaats hadden gekregen in
de tuin van haar dochter. Ze schreef ook dat Jeanneke, de zus van Louis, niet
aan tbc was overleden maar aan een leverziekte. En tenslotte schreef ze ook dat
de weduwe van Louis, Jeanneke de Wolf, vanuit het verzorgingshuis in het
ziekenhuis was opgenomen en dat zij, Josephine, al jaren tenminste eenmaal per
week bij haar op bezoek ging. Ik heb haar de groeten laten doen en beloofd een
kaartje te sturen. Dankjewel, Josephine en dochter, zeker ook voor het redden
van de portretten van de ouders van Louis Paul Boon en zuster Jeanneke.
Uit HetWerk 39, literair kladschrift van Meurs A.M., 26 juli 2004)
Louis
Paul Boon
Over de graven heen
Ik bladerde in de nieuwe Boelvaar Poef, het kwartaalblad van het Louis Paul Boon-genootschap. Plotseling zag ik mijn naam onder een foto staan. Ik was blij verrast. De tekst erbij drong niet tot me door, ik dacht aan de omstandigheden waarin ik die foto had gemaakt. Ik bladerde verder, je weet maar nooit. En jawel, verderop stond nog een foto met mijn naam eronder, dit was een foto van het graf van Louis Paul Boon, een eenvoudige, plat liggende steen met zijn naam en zijn geboorte- en sterfdatum. In een bepaalde hoek kon je denken dat het graf aan het hoofdeinde een grote rechtop staande steen had, maar bij nader inzien bleek dat de achterkant van de steen van het graf achter dat van Boon. Hem zou dat zeker ook zijn opgevallen. Een groot deel van het nummer was gewijd aan de 25e sterfdag van Boon. Ik ging terug naar de eerste foto.
(De
foto uit Boelvaar Poef, het kwartaalblad van het Louis Paul Boon Genootschap)
Dit was een foto van een veel groter, monumentaler graf dan dat van Louis, maar het was er dan ook een voor drie personen.
De grote, rechtop staande steen was van Boons zuster Jeanneke, bij wier overlijden in 1949 hij een van zijn mooiste stukjes schreef; de liggende stenen waren van Boons ouders, zijn moeder was al in 1954 overleden, zijn vader in 1968. De laatste leefde dus nog toen ik Boon in 1967 in Eindhoven zag. Elke steen had, behalve de geboorte- en sterfdata, een duidelijk portret van de overledene. Wat wil je nog meer als liefhebber!
Ik las de tekst onder de foto. Voor mijn naam stond: “Het geruimde graf”. Het geruimde graf? Zouden ze de stoffelijke resten onder de stenen uit gehaald hebben en elders begraven? Ik begon de tekst te lezen van het artikeltje naast de foto: “Of Louis het gewenst zou hebben, zullen we nooit weten, maar degenen die gewoontegetrouw een groet aan de laatste rustplaats van Boons zuster Jeanne, vader Joseph en moeder Estella wilden brengen, waren geschokt, want dat graf bleek inmiddels geruimd. Daarmee is weer een stukje wereld van deze grote Vlaamse auteur verdwenen en de literaire wereld weer wat kleurlozer geworden.”
Een schok inderdaad, nu ook bij mij. Dat graf bestond niet meer! Alleen nog op een plaatje. Maar dan moeten ze toch minstens die grafstenen en die portretten hebben bewaard, dacht ik. Maar daarover werd ik niets wijzer, de redactie van Boelvaar Poef wist het blijkbaar ook niet, en het Louis Paul Boongenootschap dus evenmin. Had het verdwijnen van dit graf voorkomen kunnen worden als er een goed contact was geweest tussen de erven Boon en het genootschap? Was dit een van de dramatische gevolgen van het slechte contact? Wat kon er nog meer gebeuren? En hoe stond het met huize Isengrimus sinds Boons vrouw Jeanneke in een verzorgingshuis was opgenomen? En hoe was het met Jeanneke zelf? En in hoeverre nam de stad Aalst zijn verantwoording voor het erfgoed van Boon? En de Vlaamse Gemeenschap? En…?
Louis moest na de dood van zijn vader in 1968 samen met de andere overlevende van het gezin, zijn broer Frans, hebben besloten dat hun ouders en zusje een gezamenlijk graf zouden hebben. Toen ik, meer dan 30 jaar later, de foto van dat graf maakte, waren Louis en zijn broer Frans ook dood. Ze hadden ieder hun eigen graf.
Enkele jaren geleden waren we met het Louis Paul Boongenootschap op het kerkhof van Aalst. Hoewel ik er eerder was geweest, had ik geen foto van het graf van Boon. Toen het gezelschap verderging naar het grafmonument van priester en Pieter Daens, maakte ik de foto van het kale graf van Boon, de andere foto die nu in Boelvaar Poef staat afgedrukt. Terwijl ik daarmee bezig was, sprak een dametje me aan dat eveneens was achtergebleven. Ze vroeg of ik ook het graf van Boons zuster Jeanneke en hun ouders kende, het was maar een paar passen daar vandaan. Zo ontdekte ik het graf dat ik hierboven heb beschreven en waarvan mijn foto ook in Boelvaar Poef staat en dat ondertussen is geruimd. Ik was en ben het dametje zeer dankbaar. Ze vertelde dat ze de weduwe was van Boons broer Frans. “Mijn kinderen zijn Boons,” zei ze trots. Ik herkende haar van foto’s die ik een paar jaar daarvoor had gemaakt bij de presentatie van het eerste nummer van Boelvaar Poef, die tegelijk plaats vond met de uitreiking van de eerste Isengrimus, de prijs van het Boongenootschap, door Angčle Manteaux aan de weduwe van Louis, Jeanneke. Tussen toen en het ogenblik dat ik op het “andere” graf werd gewezen, waren er problemen ontstaan tussen de erven Boon en het Genootschap, maar hier was nu wel een familielid dat een lid van het Genootschap wees op dit zeer interessante graf. Ik beloofde de schoonzuster van Louis deze foto’s, en die van de vorige keer, op te sturen en noteerde haar adres. Ik heb ze al - hoe lang, twee jaar? - apart liggen maar nu ga ik ze zeker, samen met dit stukje, opsturen. Als smoes heb ik dat ik verwacht had haar ondertussen allang bij een bijeenkomst te zijn tegengekomen. Mevrouw (Frans) Boon, bij deze nog hartelijk dank!
Nadat ik de foto’s had gemaakt, ging ik naar het gezelschap bij het graf van priester en Pieter Daens en vertelde van het “andere” graf aan “reisleider” – we waren met de bus door Aalst gereden, daar kom ik nog een keer op terug – Jos Muyres. Nou, de “ontdekking” van dat graf was een sensatie, iedereen daar naartoe en ik kon rustig, zonder mensen ervoor, foto’s maken van het graf van de Daensen. Mocht dat ook geruimd worden – ik ben nu zeer wantrouwig geworden - dan kunt u bij mij terecht voor een foto.
Ik moest aan Sal Santen denken met wie ik de laatste jaren van zijn leven bevriend ben geweest. Hij vertelde me hoe teleurgesteld hij was toen het Letterkundig Museum in Den Haag het dagboek, of waren het brieven?, van zijn op jonge leeftijd aan tbc gestorven zusje had geweigerd. Onbegrijpelijk voor wie weet hoe belangrijk de dood van dat zusje is in het werk van Sal Santen.
Voor wie weet hoe belangrijk de dood van zijn zusje is in het werk van Boon, is het ruimen van het graf, tevens dat van zijn ouders, onbegrijpelijk.
Iedere Boonlezer kent het grandioze stukje dat Boon schreef bij het overlijden van zijn zuster Jeanneke. In Spoken van de Kapellekensbaan van Jos Muyres kunnen we zien hoe vaak Jeanneke in dat boek voor komt. Dat zou voldoende moeten zijn. “Maar,” werpt iemand tegen, “over Veenmanneke heeft hij ook een grandioos stukje geschreven en moeten we dan ook…” Maar daar gaat het niet om. Heel het werk van Boon is doordrenkt van zuster Jeanneke. Dwars door elk jong meisje, elke jonge vrouw, ziet hij zijn zuster Jeanneke die voor altijd een jonge vrouw van 26 jaar zal blijven.
Als Jeanneke wordt geboren is Louis elf jaar. Wanneer ze wordt gewassen of verschoond, ziet hij soms haar spleet die, zoals bij elke baby, ontzettend groot is in vergelijking met de rest van het kleine lijfje. Zoals ook haar hoofd dat is. Maar een jongen van elf valt vooral die spleet op. Maak ons niks wijs.
Hij sjouwt met haar rond in de kinderwagen, leert haar lopen, verdedigt haar, en als hij vooraan in de twintig is ziet hij dat ze borstjes krijgt en vrouw wordt, zijn kleine zusje. Dan trouwt hij, krijgt een kind en moet de oorlog in. Zij wordt ziek, hij komt terug, zij blijft ziek en een paar jaar later gaat ze dood. Hij schrijft een van de mooiste en wanhopigste stukjes die er ooit geschreven zijn. Ik zou me een profiteur vinden als ik hier nu uit dat stukje zou citeren. Ik laat het bij de vlak hierboven staccato opgeschreven zinnen. Ik ben woedend.
Haar graf is geruimd.
------------------------
(in een van de volgende nrs van HetWerk: Louis Paul Boon in
Eindhoven. N.a.v. het verschijnen bij Houtekiet van de BOONTJES 1967.)
Boelvaar
Poef is het kwartaalblad van het Louis Paul
Boongenootschap.
Redactiesecretaris
Geert Goeman, J. V. Biesbroeckstraat 26 B-9050, Gentbrugge, Belgie. geert.goeman@pandora.be