Jantje en de stok

De hobbelkeienstraat oversteken, de strook gras, dan het

betonnen fietspad dat volgens vader door de Duitsers is

aangelegd, en dan over het gras tussen fietspad en sloot

lopen, tot hij het paadje in kan waar de anderen voor hem

al om de bocht met bosjes en braamstruiken verdwenen

zijn.

Daar vindt hij hem terug, onopvallend rechtop alsof

hij een deel is van de struik, in plaats van een losse

gladde stok die hij na een vlugge blik om zich heen onder

tegen zijn rug legt en met de holten van zijn ellebogen op

zijn plaats houdt.

Zo begint hij met naar achter getrokken schouders

langzaam achter de anderen aan te lopen, want die

moeten alweer het zijpad links ingeslagen zijn voor hij de

bocht om kan.

Als hij, zelf aan het eind van het zijpad, hem in de

hoge heg verbergt, zijn zij al bij de school of onzichtbaar

voor hem in een van de inhammen van de Schoolstraat

hun spelletjes aan het doen… plots afgebroken door de

meester die de straat vult met het geluid van de bel die hij

hoog alle kanten opzwaait en waarmee hij van overal de

hollende kinderen naar zich toe trekt.

Jantje wil niet hollen. Hij begint met zijn ogen te

knipperen om het eronder te houden, versnelt wel zijn

pas, terwijl hij probeert steeds enkele kinderen tussen

zichzelf en de man met de bel te hebben. Het kost zo`n

inspanning dat hij al gauw niet meer weet wat het

belangrijkst is: het eronder houden of iemand tussen

zichzelf en de meester houden, terwijl dit laatste toch

alleen dient voor het eerste.

Maar dan voelt hij dat gaat gebeuren wat in ieder

geval zou gebeuren wanneer het laatste kind voor hem

weg is, en waartegen nu steeds heviger knipperen niet

meer helpt: het stijgt omhoog tot achter in zijn nek.

96

En dan begint ook hij te hollen, met de bedoeling dat

hollen de oorzaak te laten lijken voor wat weer

onhoudbaar bleek: het hevig rode hoofd dat nu op zijn

schouders brandt en waarmee hij de meester voorbij rent,

terwijl hij “pf, pf” puft en met natte ogen naar de man

kijkt, die meteen na hem de bel stopt en achter hem aan

de school in loopt.

Hij begrijpt meteen wat ze aan het doen zijn als hij het

klaslokaal in komt en onwillekeurig kijkt hij achterom,

naar de meester die er nog niet is.

Ik hoef het niet te weten, denkt hij. Als ik het niet

weet, kan ik het niet vertellen en hoef ik niet te liegen en

te kleuren alsof ik het wel weet.

Hij blijft strak naar de vloer kijken terwijl hij naar zijn

bank loopt, waar hij meteen een schrift pakt en met de

losse hand een diagonale lijn probeert te trekken.

De meester gaat als gewoonlijk een voor een het rijtje

af, heft de liniaal op en steekt deze met een snelle

beweging in de richting van degene die ondervraagd

wordt, alsof hij een klap geeft.

Jantje moet zich concentreren: hij moet recht blijven.

Terwijl hij toch de antwoorden van sommige jongens

hoort - “Nee, ik weet het echt niet, meester, ik lach niet

en krijg geen rooie kop, of wel soms?” - denkt hij bij zijn

derde blaadje: hij moet recht van de linker onderhoek

naar de rechter bovenhoek gaan, als dat lukt, zal het niet

omhoogkomen, o god, laat het lukken, laat hem recht

zijn, dan weet ik dat ook dat andere zal lukken en ik niet

eens zal hoeven knipperen om het eronder te houden.

Hij dwingt zichzelf op de lijn, maar hoe kan het dan

dat hij de jongen naar zich ziet kijken, en dan ook

plotseling dat ziet zitten waar het allemaal om gaat?… zo

opvallend dat het belachelijk is naar iets te vragen dat zo

duidelijk aanwezig is en daarboven een stukje uit de

gordijnroe steekt.

Nu is het niet meer te houden, denkt hij, nu ik het

weet, weet ik opeens weer alles, ook dat het donderdag is

en zij misschien al uit haar bank is opgestaan, naar de

97

lessenaar loopt, daar de map pakt en de gang in gaat,

waar haar stappen hol opklinken, vooral op plaatsen waar

geen jassen hangen.

En terwijl het met de lijn op zijn papier helemaal

misgaat en hij het onstuitbaar voelt komen opzetten,

denkt hij: ze sluit nu de deur en, hoe zacht ze het ook

doet, het klinkt door de hele meisjesschool. Op de stoep

kan ze twee dingen doen: rechtsaf en dan voor de school

langs en dan weer rechts door het Maagdenpad, of

meteen links over het schoolplein en door het poortje in

de haag van het klooster gaan, en als ze dat doet is ze er

eerder en kan elk ogenblik binnen komen!

Dan barst het los en weet hij dat het knipperen hem

niet meer redden kan, en dat ook de beloftes dat niet

kunnen, zoals nooit meer zijn grote zus te stompen, al

doet ze nog zo bazig… hoewel hij het met deze zeer grote

belofte nog wel probeert.

En op het moment dat de liniaal naar hem geprikt

wordt kijkt hij vuurrood met tranende ogen de meester

aan en antwoordt nee op de vraag of hij de aanwijsstok

weet.

Maar de meester gaat hem zonder meer voorbij, en

misschien is dat het ergst van alles, het meest beledigend:

dat het niets meer zegt bij hem, een rooie kop, en dat

zelfs de Kuus dat weet.

Hij zit hier nog aan te denken als de deur opengaat en,

wat hij gevreesd had maar ook weer vergeten was, zij

binnenkomt en de map op de lessenaar legt.

Maar dan is ze ook al weer verdwenen, en terwijl de

jongen hem strak en spottend aankijkt, kijkt hijzelf met

grote ogen rond en is verwonderd dat het zo snel voorbij

is en dat hij helemaal niet kleurt. Integendeel, hij heeft

zelfs het gevoel dat hij bleek ziet, heerlijk wit ziet. Ik heb

een blank gevoel, zegt hij in zichzelf, een verheven droef

gevoel, in ieder geval het totaal tegengestelde van dat

gloeiende, dat aarde- en vuurgevoel. Het zal veranderen,

ik heb het doorstaan, ook de blik van de jongen die het in

me omhoog wil trekken.

98

De jongen heeft zijn ogen nog steeds vast op hem

gericht, en toch hebben die ogen heel even het hoekige

lichaamsdeel aangewezen dat daar links voor hem stijf en

paars in de geopende broek onder de bank staat, met een

knik erin lijkt het, als een stok onder water.

En dan komt het weer als een golf in hem omhoog, het

drijft de spot met alle gedachten die hij kort tevoren heeft

gehad, het prikt en jeukt in heel zijn bovenlijf, het zweet

breekt hem uit en hevig knipperend wendt hij zich af en

plaatst zijn arm tegen zijn hoofd tussen zichzelf en de pik

in, terwijl de jongen zacht grinnikt.

Ver voor iedereen is hij om vier uur de school uit. Bij

de heg kijkt hij hoe de stok hoog in de lucht om zijn as

draait en dan neerploft in het koren. Wat heeft hij aan

rechte schouders als hij zo`n probleem heeft met wat er

op die schouders staat! En trouwens, de welpenakela die

hem de stok heeft aangeraden heeft zelf nog steeds een

kromme rug.

Terwijl hij staart naar de plek waar de stok is

neergekomen, heft hij de hak van zijn rechtervoet wat

van de grond en drukt zijn billen uit elkaar om door te

laten wat al gauw geen scheet blijkt en waarvoor hij snel

zijn billen weer bij elkaar moet knijpen. Hij moet nu een

besluit nemen: het pad terug uit en weer de weg op waar

huizen en wc’s zijn, maar waar ook de sigarenfabriek is

waar hij omheen moet, en waar eigenlijk maar één huis is

dat in aanmerking komt, halfweg, in de bocht van de

Lange Weg, het winkeltje waar hij achterom kan lopen en

zonder vragen poepen kan. Maar haalt hij dat? Of hij

moet verder het paadje in en daar een plekje vinden, met

het risico dat de jongens hem inhalen en hem terwijl hij

gehurkt zit omduwen in zijn eigen stront.

Hij hoort de jongens komen en gaat op een

sukkeldrafje het paadje verder in, in de hoop dat hij

helemaal niet hoeft te stoppen, en deze weg is korter. Al

gauw moet hij stapvoets gaan en zijn billen

samenknijpen, tot de pijn wegtrekt en hij weer even

vlugger kan.

99

Dan is het al weer terug, de drang wordt erger, hij

moet helemaal stilstaan en zich over de kramp in zijn

darmen buigen. Daar zijn de jongens, ze zullen hem niet

inhalen, wat er ook gebeurt!, en hij gaat verder, kijkt nog

één keer naar een plekje waar hij ongezien kan

neerduiken, maar daar is het weer, hij zou nu moeten

stilstaan en zijn aars dichtknijpen, maar hij hoort de

jongens en doet het niet, hij richt zich op om harder te

rennen, gooit alles los en tegelijk ploft, spat het in zijn

broek als een bevrijding en loopt meteen langs zijn blote

benen naar beneden.

Maar zij zullen het niet zien! Terwijl hij blijft draven,

bukt hij zich en trekt een bos droog gras los, waarmee hij

tijdens het lopen langs zijn benen wrijft. Hij komt zo

dadelijk uit het pad, zal de Lange Weg moeten

oversteken, dan mag er weinig te zien zijn, en hij begint

zich voor te bereiden op de verwijten die hij zal te horen

krijgen.

Als er een nieuwe golf over zijn benen spuit, beseft hij

de hopeloosheid van alles wat hij probeert en begint,

terwijl hij thuis achterom loopt, te huilen en te roepen:

“Mama, ik heb in mijn broek gepoept en kon er niets aan

doen.”

Misschien is iemand hem op de fiets voorbij gereden

en heeft die zijn moeder gewaarschuwd, want er staat

onder de lindeboom een emmer met water klaar, waar hij

met kleren en schoenen in moet gaan staan. Moeder

Anneke jaagt de kinderen weg die grinnikend om de hoek

komen kijken.

“Maar we komen schommelen,” zeggen ze.

“Nou niet,” zegt zijn moeder kortaf en vraagt aan hem

waarom hij zo`n schijterd is dat hij op school niet durft te

vragen of hij naar de wc mag en waarom hij dan niet

meteen ná school gaat.

Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat

deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een

andere emmer zet. Hij kijkt even of er geen kinderen zijn,

maar kan haar toch niet vertellen dat hij bang was dat de

100

jongens hem zouden opwachten, hem tot een gevecht

uitdagen dat hij niet kon winnen en hem pesten met wat

in de klas was gebeurd.

Maar terwijl hij in de emmer staat en zijn moeder hem

wast, glimlacht hij opeens, opgelucht met het besluit dat

hij zojuist heeft genomen, namelijk nooit te trouwen,

omdat je daarvoor een meisje moet vragen, en om zich

als een kluizenaar van alles en iedereen af te zonderen, of

om in ieder geval naar Afrika te gaan, waar hij

doorlopend zo roodbruin verbrand zal zijn dat niemand

ziet wanneer hij van kleur verandert.

En blij met deze oplossing kijkt hij met glanzende

ogen en een blos op zijn wangen langs zijn moeder heen

de hof in.

101

Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze

in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere

emmer zet.(pag.99)