De schoenmaker met het houten been
Twintig jaar met hem getrouwd is ze, zijn tweede vrouw
is ze en veel plezier heeft hij niet aan haar beleefd en dat
hoeft ook niet, want dat heeft ze aan hem ook niet. Zegt
ze.
't Is een niksnut die met schoenmaken het zout in de
pap nog niet verdient en als zij niet af en toe wat bij
scharrelde was hij allang van honger omgekomen. Hij
loopt de hele dag te zingen, daarvan alléén al wordt zij
helemaal gek, en zit op zijn stoel voor het huis naar de
meiden te roepen of is bij de buren achterom om daar de
boel te vermaken en om stiekem geld in zijn hand gestopt
te krijgen voor schoenen die hij veel te goedkoop heeft
gerepareerd. Maar als hij slaapt voelt zij zijn zakken na
en vindt het wel, tenminste als hij 't er al niet heeft
doorgedraaid of ergens verstopt.
Ze zegt: “Ik heb geld en jij hebt niks en jij zult doen
wat ik zeg!”
't Is dat zij helemaal tot aan de nieuwe wijk loopt die
ze daar voor Philips aan het bouwen zijn en anders wel
om hem vol te stoppen met Ambonezen, en dat zij met
een volle schort kolen thuiskomt die zij langs de weg
heeft opgeraapt... anders hadden ze niks te stoken. Maar
wie heeft het altijd het eerste koud?
“Dat komt doordat je tot het donker op je kont aan de
weg bent blijven zitten,” zegt ze. “En toen je daar zat had
je het niet koud of wel soms?”... “Dat komt omdat zolang
die beesten er zijn dat raampje moet openblijven,” zegt
ze, “want je geeft meer om die zwaluws dan om mij”...
“Je kan het nooit zo koud als ik hebben,” zegt ze, “want
in die ene poot heb je geen gevoel, en als ik díe op het
vuur smijt dan zál je het warm hebben! 't Is dat-ie zoveel
gekost heb.”
Die zondagmorgen dat-ie het raam en de deur tegen
elkaar had openstaan om de geur eruit te krijgen, toen
106
had-ie 't niet koud! Het hele huis ruikt naar gesmolten
boter en gebakken aardappels als ze hem tegen de hond
hoort zeggen: “Ga maar naar het vrouwtje”, en ze
begrijpt dan waarom zij altijd achter die hond aan moet
als ze uit de kerk komt - “Sjaaauwsjaaauw!
Sjaaauwsjaaauw!” - dan duurt het langer, denkt-ie, en
hoor ik haar aankomen.
Maar ze kruipt uit de bedstee en zegt: “Als je míj
moet hebben is het toch níet om me mee te laten eten,
wel?... want alleen de geur hangt er nog.”
“Had het kunnen weten,” zegt hij, “jij gáát niet naar
de kerk wanneer er een extra collecte is zoals nu voor die
watersnoodramp.”
Alsof zij zich door een extra schaal af laat schrikken,
zolang ze voor zichzelf weet dat ze er nooit meer dan drie
centen op toe kan leggen omdat ze nooit méér bij zich
heeft. En ze brengt ze meestal weer mee naar huis, want
in de zak aan de stok hoef je alleen je hand te steken, met
de koperen schaal is het iets moeilijker, maar meestal lukt
het wel alleen met de cent op de bodem te tikken. Hij
heeft het beter dan zij, die pastoor, en als zij gewoon haar
zondagsplicht vervult kan hij haar niks verwijten...
waarom moet daar geld bij komen?
Tegen het buurmeisje had ze gezegd terwijl hij daar lag:
“Wij zijn niet van dat bidderige in de familie, doe jij het
maar, ik ben nog te veel geschrokken.” Tenslotte heb-ie
voor jou de vlag uitgehangen toen je na vier jaar uit het
sanatorium kwam, dacht ze daarbij, weliswaar op zijn
kop, maar dat kun je van hem verwachten.
Zij vervult haar kerkelijke plichten en dat kan je van
hem niet zeggen, hij heeft “dispensatie”, zegt hij,
vanwege zijn houten poot... waar hij wel een heel eind
mee kan komen als er iets te doen is of te halen valt... als
een van die Indiëjongens terugkomt, dan staat hij wél met
zijn neus er bovenop en kan hij zelfs dansen of wat daar
voor doorgaat terwijl hij zijn lijflied zingt: “Japie zijn
vrouw, die had geen neus, alleen twee grote gaten.”
107
Zelf heeft-ie ook twee enorme gaten maar hij heeft er
wel een neus bij. En als zij dan binnenkomt zeggen ze:
“Ha, vrouw van de schoenmaker, hoe is het met de
schoenmaker?” Alsof zij niet weet dat-ie zich daar ergens
heeft verstopt, tussen al die feestgangers en dat
sparrengroen en die gekleurde lampjes die maar branden
alsof het allemaal niks kost.
“Nog een geluk,” zegt ze, “dat die gasten niet meteen
doorgaan naar Korea, want dan hadden ze hier iets anders
moeten verzinnen om de boel erdoor te jagen.”
Dansen kan hij ook als hij met die blagen aan de weg
staat, hij staat te springen als een gek als het een van die
snotneuzen lukt met zijn haktol een andere door midden
te kappen. Kapot maken, dat kunnen ze wel. En allemaal
gebruiken ze leren veters die ze zogenaamd hier gekocht
hebben, maar zij heeft er maar verdomd weinig poen
voor teruggezien. Ze weten dat hij nog gekker is dan zij
en dat spelletje niet kan missen en toch weer afkomt met
zijn veters... Eén grote schreeuwende bende, dat is het, de
Mau-Mau is er niks bij.
“Fausto Coppi, hup Coppi!” zit hij een andere keer
aan de weg te schreeuwen als die apen de ronde van de
Ontginningsweg aan het fietsen zijn, ouwe zot dat hij is.
En al loopt hij nog zo bij de buren achterom, nóóit zal
hij es wat meebrengen, terwijl de appels voor het oprapen
liggen. Integendeel, ze maakt zich sterk dat hij van die
paar centen die hij gevangen heeft nog de helft
terugdraagt... terwijl zij vindt: als je zeven kinderen op de
wereld kan schoppen moet je ook zorgen dat je hun
schoenen kan betalen.
En dan zegt de buurman wel dat zij best wat appels
krijgen kan, maar zij denkt: die zal die halve gare die zo
vaak daar achterom loopt wel voor me meebrengen, dus
ze zegt: “Nee, Leo, dat kan ik niet doen! Maar nee, Leo,
je heb ze zelf hard nodig met al die kindjes!”
Maar omdat die lapzwans er nooit geen meebrengt
kan zij stiekem in het donker achterom lopen en haar
schort gaan volladen!... terwijl als híj een beetje handig
108
was met een mándvol zou thuiskomen, genoeg om voor
heel de winter appelmoes te wecken.
Van die zeven naast haar zijn er een stuk of vier die al
een rapport van school meekrijgen en dat komen ze dan
laten zien, en natuurlijk allemaal van de allerbeste
punten, anders komen ze niet - van de andere kinderen uit
de buurt heb je helemaal geen last - en daar willen ze dan
een stuiver of liefst een dubbeltje voor hebben en dat is
meer dan zij een heel jaar in de schaal doet, dus ze zegt:
“Hier is een appel.” Maar weet je wat ze durven
zeggen?... “Die hoef ik niet, die hebben we zelf genoeg”!
...Zo waren wij vroeger niet, denkt ze, maar als ze
toevallig een beetje kunnen leren, denken ze dat ze wat
meer zijn dan een ander.
Hij zal en moet buiten zijn tot de Belgische bussen
met die draaiende wieltjes erop zijn langsgekomen, ook
al is het donker, en als hij dan eindelijk binnenkomt zegt
ze: “Dat zijn mensen die iets voor hun gezin over hebben,
die verdienen goudgeld in de mijnen, maar jij kan dat
weer niet met die poot van je... als je het dan nog
geprobéerd had!... misschien had men je op een karretje
laten rijden, en nu ben je oud... maar weet je dat de
nabestaanden van die mijnrampen heel goed verzorgd
zijn achtergebleven?”
Maar hij blijft buiten tot de bussen voorbij zijn, ook al
is het bijna winter en koud, en 't is dus geen wonder dat
hij aan het hoesten is geraakt. Kijk, zij weet van zichzelf
dat ze geen sterk gestel heeft en nogal es bedlegerig is,
maar hij heeft het allemaal aan zichzelf te wijten.
“Nee, doe jij het maar,” had ze gezegd tegen het oudste
meisje van de buren dat al zo`n jaar of dertien is, “ik kan
nog geen woord over mijn lippen krijgen.”
Ze vindt: als ie altijd goed genoeg was om grappen
mee te maken en voor een habbekrats schoenen te
repareren, dan moet-ie nou maar goed genoeg zijn om
voor te bidden, al ligt-ie er dan niet zo mooi bij als die
Stalin erbij lag midden in die bloemen. Het hele jaar had
109ie 't er over gehad dat hij er zo bij zou willen liggen als 't
zover was... En nou is 't zover en ligt-ie in de bedstee en
gaat zij op de divan slapen.
“Als je bij nacht en ontij aan de weg ligt moet je niet
verwonderd zijn dat je 't te pakken krijgt,” zegt ze, “daar
zou een heel wat jonger iemand 't van op de borst
krijgen.” En al heb je het benauwd, je moet toch eten, en
als je keel zeer doet, wat is dan beter dan wat pap?... kan
je haar niet gaan verwijten dat-ie daarin dan gestikt is,
ook al was die pap wat dik. Ze is er zelf ook van
geschrokken.
“Hij is dóód!” riep ze, “kom toch gauw!” En ze klopte
aan de straatkant tegen het slaapkamerraam van de buren
zoals hij dat altijd deed. “Kom toch gáuw! Hij is dóód!
Kom gáuw!”
En toen ging ze vlug naar binnen en bracht de pap
weer naar de keuken en ook maakte ze het raampje boven
de deur weer open, want ze had gedacht: “Ziezo, dat kan
dicht en dat nest op de lamp dat gaat ook weg...”
Tot het eerste beest er met een klap tegen vloog.