(V/h de 8-Huizen, fragment2)

Als er een brommer een van de gangetjes, tunneltjes,

van de Acht-Huizen in rijdt, is het geluid oorverdovend,

je zit in een bombardement, het geluid kan niet weg,

weerkaatst, botst tegen zichzelf op, je zit te trillen. Als

Adri de Laat op zijn brommer thuiskomt hoor je hem

“hoho, hoho!” roepen en met een klap tegen de poort tot

stilstand komen. De poorten staan in een punt op het

gangetje, één voor het met betonnen schuttingen

afgezette binnenplaatsje aan de linkerkant en één voor dat

aan de rechterkant.

Vrouw de Laat is dan plotseling omringd door

motorgeronk en ze schrikt wakker met de stopmand op

haar schoot, met haar piekhaar van onbestemde kleur,

haar altijd bolle buik onder de vale blauwgebloemde

schort en haar ondoorzichtige vleeskleurige kousen.

“Hij is thuis,” zegt ze met een hoge hese stem.

“Misschien lijkt ze wel een beetje op mij,” zegt Hanna

Knietel tegen de twee andere Vrouwen van de Eerste

Huizen. “Ik word soms ook helemaal versuft van het

huishouden en ik ben dan blij dat ik vriendinnen als jullie

heb om eens uit te praten. Je valt overdag in slaap boven

de stopmand of de aardappelschillenmand, omdat je de

hele nacht met zo`n kind bezig bent geweest en je man

maar lag te snurken. En dan komt hij thuis, en het eerste

dat hij vraagt is niet: hoe is het met jou of hoe is het met

het kind, maar: hoe is het met de jonge hondjes en is er

nog iemand aan de deur geweest? En jij vraagt je af of je

155

de bel wel hebt gehoord en hoopt maar dat iemand die

zo`n advertentie leest gewoon achterom komt. Altijd

heeft je man wel iets: als hij geen hondjes fokt dan heeft

hij duiven of zijn het de voetbaluitslagen die hem meer

interesseren dan zijn gezin. En als hij thuis is, en hij is

vaak thuis want hij loopt ook regelmatig in de ziektewet,

dan repareert hij geen dingen of helpt in het huishouden

of werkt in de hof - de nieuwe buurman heeft nog een

stukje tuin met plantjes voor hem moeten aanleggen -

nee, dan ligt hij aan de weg, letterlijk vaak, tegen de heg

of in de sloot aan de overkant, en roept naar iedereen,

vooral naar de meiden, en als er een voorbijkomt met de

fiets aan de hand, dan zegt hij ‘zozo, lekke band?’ maar

redding is van hem niet te verwachten, dat ziet zo`n

meisje in één oogopslag. Zijn ogen schieten heen en

weer, hij gebaart als iemand die alles aan wil pakken, hij

praat aan één stuk door, maar al dat bewegen, van die

ogen, die mond, die armen en benen, dient alleen voor dat

bewegen zelf, wordt nergens nuttig voor gebruikt,

nergens op overgebracht: een gesloten circuit van

nutteloze, alleen voor zichzelf dienende energie. En als

hij dan toch uit zijn slof schiet, gaat hij iets belachelijks

doen op een belachelijke plaats: houtjes voor de kachel

hakken midden in de zomer en midden in de keuken,

‘want het kan al flink koud worden ‘s avonds voor jou en

het kind,’ zegt hij terwijl de spaanders door de keuken

vliegen, en jij denkt dan: hij bedoelt het goed.”