(Het Liefdegesticht, fragment)
“Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria
vandaag niet komt,” had Hanna Bosmans gezegd, en nu
staat Tonnie Weels daar in de gang voor de half geopende
deur van de kapel tegenover de hoofdzuster die erbij
gehaald is. De hoofdzuster glimlachte in het begin nog
minzaam, maar toen Tonnie de boodschap had
overgebracht en eraan toevoegde: “En ik ga zelf ook naar
huis,” was de bom gebarsten. Tonnie kijkt, terwijl moeder
overste tegen haar tekeergaat, langs haar heen de kapel in
met het afzichtelijke mokka stucwerk op de muren. Tonnie
houdt niet van mokka. Maar ze lacht in zichzelf, want ze
ziet zich met Ria de kapel binnenkomen en ze zagen het al
meteen: het was weer een van die dagen. Een van die dagen
dat de nonnen elkaar aanstaken, elkaar de loef afstaken in
aanstellerij. Een zat er in het gangpad op de knieën, de
armen geheven, het liefst zou ze haar gebed hardop
uitgeschreeuwd hebben maar dat mocht niet tijdens het
rozenhoedje, maar het misbaar van haar lippen was er niet
minder om, je zag haar onhoorbaar gillen. De twee
dienstmeisjes stootten elkaar aan en begonnen te lachen,
want op de twee treden naar het altaar lag een andere non,
de armen gestrekt naar voren en de handen met de palmen
tegen elkaar gedrukt, terwijl tussen die twee nonnen in er
178
een op haar knieën naar voren kroop, de gevouwen handen
voor zich uit stekend in de richting van het altaar, zoals in
sommige zuidelijke landen fanatieke boetebedevaartgangers
een rotsachtige berg opkruipen. Ze begonnen
te lachen, de twee dienstmeisjes, en dat was niks dat
beginnen, maar het stoppen! De een kon dat, zelfs met een
stalen gezicht, als opeens iemand keek of gewoon zomaar
als ze dat wilde, maar Tonnie kon dat niet, integendeel, dat
werd alleen maar erger, dat werd gieren, hikken, snikken,
én broekpissen. Dat liep, met die grote witte onderbroeken
met die te wijde pijpen, zo met stralen langs haar benen.
Zodat ze de kapel uit moest vluchten naar de wc, om haar
benen af te vegen en haar grote onderbroek vol te proppen
met wc-papier. Dat was er dan tenminste in het klooster,
want thuis gebruikten ze krantenpapier dat vader Weels
langs de rand van de keukentafel op maat afscheurde en
aan een spijker in de plee buiten hing.
Ook nu zou Tonnie het liefst wegvluchten bij die lege
kapel, waaruit men moeder-overste geroepen heeft die daar
steeds kwader wordend tegenover haar staat, vooral om
Tonnies onverstoorbaarheid die toch vooral verbazing is.
“Zo Tonnie,” zegt de hoofdzuster, “en moet jij de
boodschap overbrengen?”
“Ja,” zegt Tonnie.
“Ja? Kun je niet met twee woorden spreken?” zegt de
hoofdzuster. Tonnie zwijgt. Ze was na de huishoudschool
als dienstmeisje in het klooster terechtgekomen omdat ze
absoluut niet naar de fabriek wilde.
“Voel je je daar te goed voor?” had Anneke Weels
gezegd. Annekes jonge vriendin, buurmeisje Ineke, ging
immers ook naar de sigarenfabriek, eigenlijk iedereen in de
buurt, meteen na de lagere school of toch zeker meteen na
de huishoudschool. Anneke en haar zusters hadden zelf in
de schoenfabriek gewerkt, dus waarom zou Tonnie dan te
goed zijn voor de fabriek? Omdat ze goed kon leren? Ze
mocht blij zijn dat ze de lagere school in drie jaar had
mogen doen, na al die jaren in het sanatorium. Tonnie had
graag een opleiding willen volgen waarbij je Engels en
179
typen leerde. Maar moeder Anneke was niet te vermurwen,
er waren nog zes andere kinderen en vader Weels
verdiende niet veel in de bouw. Maar Tonnie bleef
vastbesloten wat die fabriek betrof. En zo was ze als
dienstmeisje in het klooster terechtgekomen.
“Zo,” zegt de hoofdzuster, “en laat jij je daarvoor
gebruiken?”
“Nee,” zegt Tonnie, “ik laat me niet gebruiken, ik breng
gewoon de boodschap over en ik ga zelf ook eerder weg.”
“O,” zegt de hoofdzuster, “gebruik jij dan Ria
misschien, heb jij tegen Ria gezegd dat ze vandaag niet
hoefde te komen en dat jij het wel in orde zou maken?”
“Daar klopt geen bal van, van wat u zegt,” flapt Tonnie
eruit, tot haar eigen verbazing.
“Wat zeg je me daar, brutaal nest!” valt de eerwaarde
moeder uit haar rol van lijdzame heilige. “Wat voor taal
durf jij tegen mij te gebruiken?” Tonnie zegt niets meer.
Hanna Bosmans had nog gezegd: “En als het niet die
ouwe viezeriken zijn, dan zijn het de nonnen die de meisjes
over hun bovenarm aaien en, wijzend op de afgezakte
bandjes van bh en onderjurk, zeggen: 'Zeg Tonnie, of zeg
Ria, waar dienen toch al die bandjes voor?'“
En als dat andere bijdehante dienstmeisje, dat van dat
café uit Sas, vertelt met wie ze afgelopen weekeind naar
bed is geweest - hoewel dat bed wel niet letterlijk zal zijn,
ze zal wel ergens in een hoekje gestaan hebben - dan staan
de nonnen vooraan om de verhalen aan te horen. Maar
ondertussen halen ze wel die oude getrouwde stellen uit
elkaar, en als Trijn Minussen, die nog niet zo oud is en daar
mag zitten omdat ze niet helemaal tof is en haar oude
moeder er ook zit, een koekje op de kapstok legt voor een
mannetje waar ze verliefd op is, dan halen de nonnen het
koekje weg, want ze willen in het Liefdegesticht geen
contact tussen mannen en vrouwen.
“Ja,” zei Hanna Bosmans, “en als ze niet van die
meisjes kunnen afblijven, zullen ze ook wel niet van
zichzelf kunnen afblijven, en ook niet van elkaar kunnen
afblijven - niet dat het mij wat uitmaakt wat die nonnen
180
onder elkaar uitvreten - en vandaar ook dat misbaar in die
kapel, voor de zonden waar ze vergiffenis voor moeten
vragen, de zonden van de geest en de zonden van het
lichaam, de zonden die ze hadden willen doen en de zonden
die ze ook daadwerkelijk bedreven hebben. 'Gô Tonnie, gô
Ria, waar dienen toch al die bandjes voor?' Ik zeg al: het
kan mij niet schelen hoeveel die nonnen aan hun gleuf
zitten en aan elkaars gleuf zitten en dat ze daar boete voor
willen doen, maar dat die oudjes daar de dupe van zijn...
Die kunnen er niets aan doen, die hebben geen gelofte van
kuisheid afgelegd maar moeten nu het kuise leven leiden
dat die nonnen eigenlijk zouden willen leiden...”
Hanna Bosmans haalde diep adem: “Tenzij je geld hebt
om op een eigen kamer te wonen. Bovendien weet iedereen
dat de maatschappelijk werkster die bij sommige van die
rijke mannetjes op bezoek komt gewoon een hoer is,
waarom zit anders bij die bezoeken de kamer steeds op
slot? Maar voor de gewone mannetjes, die daar samen in de
zaal de hele dag boeren en scheten zitten te laten en niet
van de zaal af mogen, is dat er allemaal niet bij. Ze zitten
maar versuft in die zaal hun sigaar of pijp te roken. Het
stinkt er altijd, en ook daar moeten de meisjes proberen
schoon te maken, terwijl de mannetjes nauwelijks opzij
gaan, niet eens opzij kúnnen gaan vaak.”
“Moet je haar daar zien staan!” zegt de hoofdzuster
woedend. Tonnie blijft verongelijkt met de handen in de
zakken van haar werkschort staan en zegt niets meer.
Nadat Tonnie die keer met Ria de kapel was uitgevlucht
omdat ze in haar broek had gepist van het lachen en haar
benen had afgeveegd en haar grote witte onderbroek had
volgepropt met wc-papier, moest ze het koper van de
voordeur en de zijdeur gaan poetsen. Het vroor hard, zeker
tien graden, en met het poetsen van de bel, de brievenbus
en het naambordje stond ze wel een half uur buiten in haar
schort, haar rok en daaronder de natte onderbroek met het
wc-papier. Haar onderbroek en het wc-papier bevroren en
toen ze eindelijk naar binnen kon en de trap opliep, viel het
bevroren wc-papier uit die wijde pijpen van de bevroren
181
onderbroek. Terwijl ze het opraapte en merkte dat Ria het
had gezien, schoten ze allebei in de lach en terwijl ze
gierend van het lachen de trap opliepen, piste Tonnie
opnieuw in haar broek. Je lachte en piste wat af in dat
klooster.
“Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria
vandaag niet komt,” had Hanna Bosmans gezegd. En ze zei
ook nog: “En om vier uur is het dan door de hof en door het
poortje naar de meisjesschool, want ook die hoort bij het
klooster. Ook hier moeten de lokalen en het enorme
trappenhuis gedaan worden. Maar het ergst zijn de wc's
onder het afdak buiten. Die lekken en stinken altijd, daar
zijn de pisbakken van de oude mannetjes in het klooster en
die van de jongetjes in de bewaarschool heilig bij. De
bewaarschool is trouwens een geval apart wat
schoonmaken betreft. Daarvoor komen de meisjes met
zware zinken emmers met van links naar rechts klotsend
sop, dat eerst in het klooster voor de was is gebruikt,
helemaal door de tuin van het klooster aansjouwen. Het sop
is volkomen dood, maar de bewaarschool moet er nog wel
mee schoongemaakt worden. Want die verrekte nonnen
bezuinigen niet alleen op het loon van de dienstmeisjes en
op de vrije dagen die ze niet krijgen, maar ook op het spul
waarmee ze moeten schoonmaken,” zei Hanna Bosmans.
“En moet je haar daar zien staan!” zegt de hoofdzuster
vol woede omdat ze geen greep heeft op het zwijgende
meisje tegenover zich, dat geschrokken is van de felheid en
de woede van de non maar toch vooral verbaasd is en
verongelijkt.
“Vraag vergiffenis!” schreeuwt de non, “Voor het lied
dat je gemaakt hebt om een van onze bewoners te
bespotten.”
Tonnie schrikt nog meer. Hoe weet die non dat? Want
de dienstmeisjes hadden tijdens het eten inderdaad een lied
gezongen over Manus Venray, een beruchte inwoner van
het huis die uit het tehuis voor daklozen in de stad kwam,
tamelijk fit was, dus op zolder sliep en de meisjes vaak op
de trap tegenkwam en ze met grappen en grollen achterna
182
zat. Alle meisjes kenden hem en het lied dat Tonnie
gemaakt had was een groot succes. De nonnen moesten dat
in hun refter een verdieping lager gehoord hebben,
misschien had zelfs iemand ze de tekst in handen gespeeld,
en nu begint de hoofdzuster dus ook hier over en schreeuwt
steeds harder.
“Moet je haar daar zien staan! Haal die handen uit je
zakken! Vraag vergiffenis!”
Maar Tonnie doet niets van dit alles. Verongelijkt om
zoveel onbegrip, zoveel woede, blijft ze daar staan en de
non aankijken. Tot die uitzinnig begint te schreeuwen: “Ga
uit mijn ogen, ik wil je niet meer zien!”
Ook dan gaat Tonnie niet weg, totaal overdonderd, maar
ook vastbesloten om nooit vergiffenis te vragen. Tot de
hoofdzuster ten slotte zelf maar weggaat, gillend: “Zoiets
heb ik nog nooit meegemaakt!”