Het rode gevaar

De boom glimlachte. Hij groeide, niemand zag het, maar

hijzelf wist het. Iedereen wist het eigenlijk. Hij voelde het

tintelen in al zijn vezels. Hij was sterker dan wat ook. Hij

hoefde niet te persen, hij hoefde alleen zichzelf te zijn.

Hij had de tijd aan zijn kant. De botten van de fabrikant

waren nog niet ontvleesd of de boom had al fijne

draadachtige wortels onder de kist gesponnen. In de loop

der jaren werd zijn stam dikker en dikker en duwde hij

als het ware met zijn onderbeen het graf langzaam

omhoog. Hij had het graf in een vele duizenden malen

vertraagde beenworp.

De fabrikant had tijdens zijn leven veel gehoord van

het rode gevaar. Maar samen met de geestelijkheid in het

dorp had hij het gevaar bezworen. Er waren nauwelijks

acties of stakingen in zijn fabriek geweest. De fabrikant

hield niet van rood. Er was altijd iets geweest met dat

rood. Zijn broer, die burgemeester van het dorp was

geworden - nee, dat was nog voor Van Tuin dat meer dan

25 jaar was - noemde men “de rooie burgemeester”. Maar

dat was vanwege zijn rode haar. En met zijn rooie broer

had de fabrikant al vanaf zijn vroegste jeugd overhoop

gelegen.

Dat het uitgerekend een rode beuk was die zijn graf

langzaam maar zeker omhoogduwde zat de fabrikant

dwars. Dat het rode gevaar nog eens toe zou slaan lang na

zijn dood!...

De boom had niets misdaan. Hij was alleen gegroeid.

Als lange afstandsloper had hij gewoon gewonnen. Maar

de mensen moesten hun gelijk halen. Ze zouden hem

omhakken, omzagen. Er was niets aan te doen. De

nazaten van de bondgenoten van de fabrikant rustten niet.

De boom moest eraan. Hoe dan ook

Er ging een zucht door de machtige bladerkruin van

de rode beuk: Mensen!