(Het Patronaat, fragment)

De absolute heerser van het patronaat is al jaren Keesje

Jansen. Keesje komt op zijn fiets met een colbertje over

zijn stofjas van zijn werk in de stad. Thuis, tegenover het

patronaat, doet hij een andere stofjas aan. Met tegenzin

pakt hij van de schoorsteenmantel de briefjes en

mompelt: “Daar heb ik vandaag toch geen tijd voor!” Op

de briefjes staan dingen als: “Keesje, wil je het

meisjespatronaat extra goed schoonmaken, is dat

mogelijk, Keesje?” Vaak staat er dan nog achter waarom

men dat wil. Maar dat interesseert Keesje geen lor. Of er

201

staat: “Keesje, mag ik dinsdagavond twee ketels koffie,

een beetje goed warm graag.” Vooral om dat “een beetje

goed warm graag” kan Keesje erg kwaad worden, maar

meestal laat hij daar niks van merken. Hij frommelt de

papiertjes in elkaar en gooit ze in een hoek. Als zijn

vrouw vraagt hoe laat hij wil eten, valt hij uit: “Eten?

Zijn jullie dan allemaal wereldvreemd, weet er dan

niemand wat er vandaag aan de hand is? Ik zal al blij zijn

als ik vannacht om een uur of twaalf kan eten!”

Hij smeert twee sneden witbrood en valt in de lage

stoel bij de kachel in slaap. Precies vijf minuten, dan

springt hij op. Hij zegt: “Ik schijn de enige te zijn die

beseft wat het betekent als Mieke Telkamp in het

patronaat komt!” Dan gaat hij op een sukkeldrafje naar de

overkant.

“Er zijn er maar weinig, geen een is er, wed ik, die kan

zeggen dat hij de jurk van Mieke Telkamp heeft mogen

dichtritsen, ja haar man misschien als ze die heeft, maar

ik dus wel, en dat is niet voor niks, zo`n dame merkt

gauw genoeg wat voor vlees ze in de kuip heeft, mij dus,”

zegt Keesje Jansen.

“Zo`n onnozelaar, zo`n voering van een stofjas, vertelt

nu rond dat hij Mieke Telkamp heeft mogen helpen met

aankleden, dat hij haar halfnaakt heeft gezien, en

suggereert dat het alleen aan hem heeft gelegen dat er

niet meer tussen hen is gebeurd,” zegt Hanna Bosmans

van de Eerste Huizen.

“Hij staat altijd naar je te loeren, dat mannetje, en als

Ada Knietel dan zo dom is om met een petticoat aan te

komen serveren, hoeft hij maar te wachten tot ze een

beetje over een tafeltje moet leunen om tegen haar billen

aan te kijken,” zegt Tonnie Weels die samen met Ada, de

dochter van Hanna Knietel van de Eerste Huizen, serveert

in het patronaat.

“Alles is prima gegaan,” zegt Keesje Jansen. “Het was

helemaal vol en ze heeft heel wat toegiften gegeven. Ik

kreeg trouwens nog een compliment van haar voor de

202

organisatie. Maar wat die kapelaan daar nou bij kwam

doen, begrijp ik niet.”

Zondagsavonds loopt Keesje even een rondje, dat

patronaat en die danszaal komen later wel, daar is het dan

zo`n rotzooi, maar de volgende dag begint de

bewaarschool weer en de eerste klas, en die worden dan

wel door de meiden van het klooster schoongemaakt,

maar hij kijkt ze toch liever zelf even na, en hij gaat ook

altijd een keer door het Maagdenpad, en wat je daar

allemaal ziet en hoort!

Maandagsavonds heeft hij in de koude tijd de

kaartavonden en in de rest van het jaar

verenigingsavonden zoals van St. Jozef of voorstellingen

zoals die van Mieke Telkamp, en dinsdags feest- of

clubavond, woensdags heeft hij judo in de grote zaal,

donderdags de vrouwenbond en vrijdags is het speelavond,

zaterdags is het 's morgens judo en 's middags is

er vaak ook wel het een en ander te doen, fancy fair

bijvoorbeeld, hoewel dat ook op zondag kan zijn, maar

dikwijls heeft hij ook films, zoals van De Dikke en de

Dunne, en die zijn dan natuurlijk 's middags zodat de

kinderen ook kunnen komen. Zaterdagsmiddags heeft hij

de welpen en verkenners op de zolder boven de

bewaarschool en zondagsavonds is het dansen. En als hij

dan nog vertelt dat maandags en vrijdags de

wijkverpleging boven het meisjespatronaat is, waarbij de

hal, de trap en de overloop vol zitten met verstuikte

voeten en zwerende vingers, en hij alle onregelmatige

dingen niet eens op kan noemen, zoals het

schoolgezondheidsonderzoek, en hij overal de eindverantwoording

voor heeft, ook voor het geld dat er

omgaat, en ze altijd bij hem de sleutel moeten komen

halen en terugbrengen en hij voor de verwarming en voor

koffie moet zorgen en dat ook de tapvergunning op zijn

naam staat - duidelijk op een emaillen plaatje naast de

deur, iedereen kan het zien - dan weet iemand die er een

beetje kijk op heeft genoeg.

203

“Dag Keesje, alles goed?” zeggen een paar Kabouters,

jonge meisjes van de jeugdbeweging die

woensdagsmiddags in het meisjespatronaat zitten, en ze

lopen giechelend weg.

“Dag jongedames,” zegt Keesje. Zouden ze al haar op

hun kutje hebben? denkt hij.

“Zo Keesje, alles in de hand?” zegt kapelaan Metser

die regelmatig een kijkje komt nemen in het

parochiehuis.

“Jazeker, meneer kapelaan, als altijd, dat weet u,” zegt

Keesje. Waar bemoei je je mee, lul, denkt Keesje, ik heb

je wel zien staan in het Maagdenpad.

“Gek dat je bent!” zegt Tonnie Weels tegen Ada

Knietel. “Om weer met een petticoat aan te komen

werken. Keesje kijkt recht tegen je onderbroek aan als je

even je kin naar voren steekt.”

“Beetje overdreven, dat van die kin,” zegt Ada. “Kijk

maar, ik steek mijn kin naar voren, zie jij iets?” en ze

gaat met haar kont naar Tonnie staan.

“Nog niet,” zegt Tonnie. “Buig nu langzaam naar

voren. Ja, knieholten, bovenbenen, ho!: onderbroek. Nou,

zie je wel, elke centimeter boven-voor is tien centimeter

beneden-achter.”

En ze proesten het uit. Zo erg dat ze in hun broek

pissen.

“Dat zal me niet overkomen dat dat vieze mannetje

tegen mijn onderbroek aankijkt!” zegt Ada.

“Ja, doe die petticoat maar uit,” zegt Tonnie.

Als Ada terug komt, draagt ze nog steeds de petticoat.

Ze bukt en vraagt aan Tonnie: “Zie je nog steeds mijn

onderbroek?”

Tonnie kijkt tegen Ada's blote kont die schudt van het

lachen.

“Die petticoat kan niet uit, zit vast aan de rok,” zegt

Ada. “En mijn onderbroek was kletsnat. Als ik jou was,

deed ik hem ook uit, dat is een stuk gezonder. En jij

draagt niet eens een petticoat. Niemand ziet iets. Spoelen

204

we onze onderbroeken uit en leggen die boven op de

verwarming te drogen. Daar komt toch niemand.”

Later op de avond komt Keesje naar beneden met de

twee onderbroeken in zijn hand.

“Boven gevonden,” zegt hij. “Kun je nagaan wat

daarboven allemaal gebeurt. En dan zijn ze zo

opgewonden dat ze hun onderbroek weer vergeten aan te

doen!”

Tonnie en Ada hollen naar de wc voordat de pis,

nergens door tegengehouden, langs hun benen loopt.

“Loop recht,” sist Tonnie, “hij kijkt ons na!”