Het zwembad

Hij is helemaal alleen in het enorm grote buitenbad. Aan

een kant van de groengeverfde houten schutting hebben

de jongens drie baden van vijftig meter, aan de andere

kant de meisjes hetzelfde.

Hij staat te bibberen in het hokje dat hij zorgvuldig

met het schuifje op slot doet. Op de houten deur zijn met

een scherp voorwerp – een spijker, een mes – ovaaltjes

gekrast, met in het midden verticaal eroverheen

verschillende inkepingen. Je ziet dat het moeilijk is

geweest om de flauwe halve cirkels van het ovaaltje te

maken. Het scherpe voorwerp is enkele keren

uitgeschoten.

Hij gloeit in zijn gezicht en bibbert tegelijk. Hij zoekt

tussen zijn kleren naar zijn zakmes. Hij streelt het heft dat

van glimmend, bruinzwart gevlekt mica is. Hij heeft het

gekocht in de bazaar van de dikke Brummel vlakbij de

school, waar hij ook zijn knikkers en zijn zaklamp die

tevens brandglas is heeft gekocht.

In een plotselinge drift probeert hij ook een verticale

streep in het ovaaltje te zetten. Maar het mes slaat dubbel

en hij bezeert zich. Hij zuigt op zijn handpalm.

Dan maakt hij het mes weer open en zet driftig de

verticale halen in het ovaaltje.

“Gleuf, gleuf, gleuf!” mompelt hij. Het is allemaal

niets nieuws, het is zo oud als de wereld.

Dan kijkt hij naar beneden, naar zijn zwembroek die

kletsnat in enkele flauwe ronde plooien neerhangt met

een heel klein bobbeltje erin. Het is eigenlijk een

geverfde onderbroek van een van zijn zusjes. Als zijn

moeder een onderbroek van hem geverfd zou hebben, zou

je toch de gulp hebben gezien die in die tijd met brede

banden was afgezet. Hij rilt opnieuw.

Jantje kijkt bedroefd en met spijt naar het kleine

bobbeltje in de zwembroek. Hij is duidelijk nog te jong.