(fragment de Bedpissers Twee)
Karel Brems is zo`n ondernemer met ideeën. Na
tientallen jaren zwoegen is zijn filosofie dat een mens
niet leeft van brood alleen, een mens heeft ontspanning
nodig om überhaupt aan de hogere waarden van het leven
toe te komen. Hij bouwt een enorm
ontspanningscomplex.
Hier vinden de broers, die allemaal hun eigen zaak
hebben waarnaar ze zelf niet meer hoeven om te kijken,
elkaar vaak terug. Karel zelf is bijna dag en nacht in
badjas te vinden in en rond zijn lievelingsproject in het
complex, de sauna. Hij komt er graag eens bij zitten voor
een praatje, want een mens is geen solodier.
Karel Brems praat over liefde, over vriendschap, over
de natuur, over een religieus gevoel dat niet alleen op
God hoeft te zijn gericht. En de dame met wie hij praat,
drijft mee op zijn woorden en kijkt ondertussen naar die
grote werkhanden en die dikke onderarmen en die brede
borst in die badjas en helt als vanzelf naar hem over, in
die armen. Hij praat en praat en hoort zijn moeder door
zijn mond, maar als de dame in zijn armen ligt hoort hij
ook: “Maar Karel, jongen, daar was het allemaal niet
voor bedoeld.” En hij glimlacht tegen zijn moeder en de
dame in zijn armen glimlacht terug maar hij ziet alleen
zijn moeder en zegt: “Laat maar aan mij over, moeder, ‘t
is een andere tijd, jouw jongens zijn goed terechtgekomen
en zijn je eeuwig dankbaar.”