(Uit V/h de 8-Huizen)

“Maar terug naar de familie Teunis,” zeggen de

Vrouwen van de Eerste Huizen. Of A.M. wist dat dat

kleine magere mannetje naar de pas aangebouwde

bijkeuken was verbannen, met zijn hoest en zijn

glimlach, vooral met zijn hoest natuurlijk, ofschoon, leek

het wel, het vooral die glimlach was die zijn vrouw in de

weg zat. Maar voor de rest van het gezin en de bezoekers,

de televisiekijkers, de kaarters, was het toch vooral de

hoest, die hartverscheurende of liever duidelijk hoorbaar

slijmscheurende hoest, gadverdamme. Maar zijn vrouw,

zijn stevige, forse, gezonde, met sieraden bedekte vrouw

stoorde toch vooral die glimlach, als een van triomf, van

haha nooit meer terug te moeten naar de mijn, niet onder

de grond en ook niet, als surrogaat, boven de grond;

daarvoor was de hoest te ver gevorderd.

En of A.M. wist dat ze speciaal daarom nóg een

televisie hadden aangeschaft, toe maar, en die in de

bijkeuken hadden opgesteld, hangend aan de muur, zodat

dat mannetje met zijn hoest daar in zijn eentje zat, vlakbij

de geëmailleerde wasmachine, de enige aan de Lange

Weg. En geen wonder dat je met zo`n wasmachine, waar

je geen heet water meer hoefde in te gooien, als eerste

maandagsmorgens de was aan de lijn had, soms al voor

zeven uur, en ook de witste was had, want nu was er

Omo en ook die kon vrouw Teunis betalen. En of ze

wilden of niet, de andere bewoners van de Acht-Huizen

152

moesten daarin mee, en al gauw werd het een soort

wedstrijd, wie de witste was had dus en het eerst aan de

lijn, maar wel een wedstrijd waarvan de eerste plaats al

bij voorbaat was vergeven.

En nadat de zonen van Teunis rond het voortuintje een

muurtje met een sierstang erop gebouwd hadden, omdat

een gewoon ligusterhegje zoals de buren hadden niet

meer goed genoeg was, en nadat er een bijkeuken aan de

keuken gebouwd was en de wc verplaatst, zodat zij de

eersten waren die niet meer naar buiten hoefden om naar

de wc te gaan en bovendien de eersten die een toilet met

waterspoeling hadden, en nadat er dus twee televisies

waren gekomen en een elektrische klok en allerlei

koperen en vergulde voorwerpen, zoals een lepelrek en

asbakken, en nadat de vrouwen in het gezin allemaal een

nieuwe fiets en de mannen een brommer hadden

gekregen - behalve de dikke Hors, die bleef uiterst traag,

bijna stapvoets op zijn nieuwe fiets van huis naar café

naar voetbalveld rijden - en toen de moeder zoveel

sieraden had dat ze elke dag van de week andere om kon

doen, en de dochters ook hierin steeds meer op de moeder

begonnen te lijken... toen ging het kleine, magere

mannetje, dat nog geen zestig was en tientallen jaren veel

geld verdiend had in de mijnen, de pijp uit met nog steeds

die glimlach van triomf op de lippen.

En toen beseften de zoons dat ze eigenlijk, en niet

alleen van uiterlijk, veel op hun vader leken, en hoe al te

waar dat was konden ze niet eens vermoeden, want ze

wisten toen nog niet dat verschillenden van hen zich

eveneens kapot zouden werken voor een naar luxe

hunkerende vrouw, en vooral wisten ze niet dat ze geen

van allen oud zouden worden en dat hun moeder, voor

wie ze alles over hadden gehad, hen allemaal zou overleven.

Maar ondertussen misten ze de vader en zeiden soms

zelfs: “Wat is het hier stil!” want ook aan een hoest, zij

het dan vanuit de bijkeuken, kun je blijkbaar wennen.

“Hé!” roept Hanna Bosmans, “wist je dat allemaal?

Nee? Dan weet je het nu in ieder geval!”