Tinus

“’t Is eigenlijk een prachtige tijd,” zei Heintje, “met die

ziektes als kanker en aids. Ze hebben iets geheimzinnigs

op de manier waarop ze toeslaan, en tegelijk zijn ze niet

hopeloos. Maar wel zo levensbedreigend dat mensen er

alles voor over hebben om er vanaf te komen. Bij aids

kan er heel lang gerekt worden en dat is de tijd dat wij ze

in onze macht hebben. Bij kanker zijn er mensen die

ervan genezen, de helft zelfs blijkbaar, en de andere helft

blijft het tot het laatste moment proberen. En dat moet je

hebben in dit soort werk.

En ook de dierenziektes als de gekke koeienziekte,

varkenspest, vogelpest, mond- en klauwzeer. Als je de

dieren niet kunt genezen, kun je toch dingen verzinnen

dat de mensen er niet onder lijden, dat ze niet besmet

raken. Je plaatst een aantal bakjes met gips en koperdraad

en je zegt dat je eraan twijfelt of je de beesten nog kunt

redden - die worden even later toch afgemaakt - maar dat

je wel kunt zorgen dat het niet overslaat op de mensen.

Dat gebeurt bij bijna geen enkele dierenziekte, maar dat

weten de mensen niet, ze zijn toch bang. Alleen bij de

gekke koeienziekte kan dat gebeuren, maar dat duurt

twintig jaar en na die tijd zullen ze er ons niet meer op

aankijken.

Jij, Tinus, maakt bakjes en nog eens bakjes, met gips

en koperdraad, het stukje koperdraad laat je uit het gips

steken als de pit van een kaars. Als je wilt tenminste,

want je bent niks verplicht.

252

Als het niet helpt, mogen de mensen hun geld terug

komen halen. Wedden dat er nooit iemand terug durft te

komen?”