Schuldgevoel
De soldaat stond in de deuropening van het vliegtuig, hij keek naar me en glimlachte, alsof hij niet één seconde later te pletter zou vallen, alsof hij niet met grote snelheid voorbijschoot maar voorbij zweefde. Het zag eruit als een man in de deuropening van een vliegtuig op een kindertekening. Die tekening bleef daar op een paar meter hoogte voor me in de lucht hangen, terwijl iets links van me, enkele tientallen meters verder maar, het vliegtuig al was neergestort en in brand gevlogen en er een heel hoge zwarte rookzuil opsteeg tot ver boven de bomen.
Maar dat was twee dagen geleden. In werkelijkheid lag ik in een wei bij het Kempisch Kanaal naast mijn vader en zei zacht: ‘Vader, het bloed loopt in mijn schoenen.’ En hij, nog zachter: ‘Da’s niks, jongen. Blijf maar stillekes liggen. Doe maar of je dood bent.’ Ik wist toen dat het gelukt was wat hij me had aangeraden. ‘Laat je vallen, jongen,’ had hij gezegd, ‘meteen als ze beginnen te schieten, en houd je dood,’ terwijl hij recht voor zich uit bleef kijken naar de Duitse soldaten met hun mitrailleurs. Bij het eerste geratel lag ik al. En ik was blij dat we naast elkaar hadden gestaan samen met een tiental anderen uit Ten Aard en dat we daarom nu hier ook samen in het gras lagen, en ik dacht aan het volgende vliegtuig dat naar beneden was komen zweven en dat nog maar tien meter boven de grond opeens met zijn neus recht naar beneden dook, en ook van dat waren ze allemaal dood. Verkoold, alleen hun haar was toen men hun helmen afdeed onaangetast, pikzwart, bruin of rood. En daar was het derde al en bij dit vloog twee meter boven de grond de klep open en kwam er een jeep naar buiten, maar te vroeg dus, hij kantelde, zodat je dacht dat het zo mooi had kunnen zijn, dat het zo mooi bedacht was: het komt rustig aanzweven, maakt een zachte landing en zodra de jeep begint te rijden trekt deze de klep open en rijdt naar buiten. Tot grote verrassing van de vijand natuurlijk die te verbaasd is om op de jeep te schieten en dan is het al te laat, dan is de vijand zelf al onder vuur genomen. Maar nee, zo ging het niet, de jeep valt naar beneden en rolt door naar het ondertussen ook al gecrashte vliegtuig, zodat ze nauwelijks twee seconden later weer bij elkaar zijn en samen opgaan in een enorme steekvlam.
Ik voelde me schuldig, want ik wist dat dit allemaal gebeurde omdat de Engelse soldaten van een jaar of twintig het ontzettend leuk vonden om te dollen met ons, jongens van een jaar of tien. We vielen geweldig in de smaak bij ze, en niet alleen omdat we oudere zussen hadden die ons straks zouden moeten komen halen. Nee, wij wisten dat we ze charmeerden, dat ze alles wat we zeiden en deden even leuk vonden. Ze namen ons in de maling, ze praatten tegen ons alsof ze tegen zichzelf praatten zoals ze enkele jaren geleden waren: jongens van een jaar of tien. Ze zagen in ons zichzelf, en wij wisten dat en buitten het uit, we kregen alles van ze.
Zo kwam het dat, toen de lucht vol hing met duizenden vliegtuigen, bommenwerpers en motorvliegtuigen die zweefvliegtuigen trokken, en de soldaten seinen moesten geven dat ze verder, vérder moesten en daarom rookgranaten in het vuur gooiden waaruit groene rook moest komen, zo kwam het dat ze het plastic deksel van de verkeerde granaat trokken en deze op het vuur smeten en er rode rook opsteeg, en voor dat vuur gedoofd was, was het al te laat en waren de eerste zweefvliegers al losgelaten en naar beneden gekomen… Ik voelde me vreselijk schuldig, want het was omdat wij zo bij elkaar in de smaak waren gevallen, elkaar steeds glimlachend aan hadden gekeken, die Engelse soldaten en ik en nog een paar vriendjes, daarom hadden ze even niet goed opgelet en stierven hun kameraden nu voor hun ogen.
Ik voelde me zo schuldig dat ik niet verbaasd was dat er even later dwars door de wei, dan door de haag en vervolgens door de boomgaard, waar hij alle bomen op zijn weg meenam, een bommenwerper recht op me afkwam om, volkomen terecht, mij te straffen voor het gestoei met de soldaten dat zulke vreselijke gevolgen had gehad. Ik was begonnen te rennen zo gauw ik dat vliegtuig in de verte op me af zag komen, en ik holde minstens twee kilometer door zonder om te kijken, zo bang was ik en zo zeker dat het ‘t op mij gemunt had. Ik holde door, ook nog toen ik allang de knal gehoord had en de bommenwerper, zoals ik later hoorde, tegen de hangar van de school tot stilstand was gekomen en in brand vloog. De motor werd op het schoolplein teruggevonden.
Ik was ontsnapt maar ik bleef voor mijn gevoel schuldig en daarom was ik al evenmin verbaasd dat ik twee dagen later in deze wei aan het Kempisch Kanaal was terechtgekomen, al lag ik naast mijn vader, die met dit alles niks te maken had en die mijn leven had gered zonder dat ik dit had verdiend. Een paar kilometer naar het zuiden waar wij woonden, aan de andere kant van het Albertkanaal, lagen de Engelsen en gaven ons eten en sigaretten en chocola. En hier ten noorden van Geel waren de Duitsers nog en wij hadden hier familie en zo was mijn vader op het idee gekomen. ‘Laten wij eens iets van wat jij die Engelsen weet af te troggelen naar mijn familie brengen,’ had vader gezegd, ‘want daarginds hebben ze nog honger.’ En dat was gelukt, dat was tenminste iets, we waren al op de terugweg toen we opeens met ruim tien anderen werden opgepakt en in dit weiland op een rij werden gezet, omdat mannen van de witte brigade, in afwachting van de Engelsen, alvast begonnen waren Duitsers neer te schieten. En zo zou ik alsnog van Duitsers mijn straf krijgen, niet voor wat ik Duitsers had aangedaan maar voor wat ik de kameraden van mijn Engelse vrienden had aangedaan.
We zijn de enige overlevenden, mijn vader en ik. De Duitsers waren met hun hoofd bij de komst van de Engelsen, ze lieten de lijken om ons heen een nacht liggen, wel wetend dat de burgers hun verwanten ’s nachts zouden wegslepen. Zo konden wij, weliswaar gewond, wegkomen. Ik had een vleeswond aan mijn been die niet meer bloedde. Mijn vader had pijn in zijn borst maar niet ondraaglijk. Er bleek een kogel in zijn long vlakbij zijn hart te zitten die ze daar wijselijk hebben gelaten. Hij is er vijfentachtig mee geworden en vandaag wordt de kogel samen met hem begraven. De burgemeester is er ook, want mijn vader is een held en ik ook een beetje, om wat er op het eind van de oorlog met ons is gebeurd. Maar ik weet wat mij betreft wel beter en tijdens de toespraken waar ik niet naar luister zeg ik zacht tegen mijn vader: 'Da’s niks, vader, blijf maar stillekes liggen. Doe maar net alsof u dood bent.'
Meurs A.M.
(de eerste versie van dit verhaal werd voorgelezen op 3 oktober 2009)